Peter is de oprecht gewenste en geliefde zoon van een goed functionerend gezin zonder financiële zorgen. Hij heeft een zus die twee jaar ouder is. In zijn eerste levensjaar scheen Peter niet te verschillen van andere baby’s. Hij weende en lachte om ongeveer dezelfde dingen als zijn zus op die leeftijd. Op foto’s ziet hij eruit als een mooie, gezonde en gelukkige baby. Als er al subtiele tekens waren die wezen op later problemen, dan merkte niemand ze op.
Het was pas toen Peter een peuter werd dat zijn ouders zich zorgen begonnen te maken. Hij leek steeds meer te gaan verschillen van andere kinderen van zijn leeftijd.
Heel anders dan zijn zus, die was beginnen praten op 12 maanden, zei hij geen woord voor hij veel ouder was. En nog veel verontrustender was dat hij niets leek te begrijpen van wat tegen hem gezegd werd. Hij keek niet op als ze zijn naam riepen.
Luisteren of kijken naar mensen die tegen hem praatten, interesseerde hem blijkbaar niet. Hij kon daarentegen volledig opgaan in het nauwkeurig bestuderen van een bouwsteentje. Peter ging bij iedereen die dat goed vond op de schoot zitten alsof ze een zacht stuk meubilair waren, en hij was even gelukkig als hij op z’n eentje in een ander deel van de kamer mocht zitten. Als zijn moeder hem kwam oppakken, stak hij nooit zijn armen uit, helemaal anders dan zijn neefje van dezelfde leeftijd.
In het begin beschouwde iedereen Peter als een heel onafhankelijk, zelfgenoegzaam kind dat wat laat was met praten. Het was de grootmoeder die erop aandrong dat zijn gehoor zou getest worden. Was hij doof? Misschien zou doofheid niet alleen kunnen verklaren waarom hij niet praatte, maar ook waarom hij zo vaak in een eigen wereldje leek te vertoeven en waarom hij zo weinig deelnam aan de wereld van de anderen. Die verklaring werd echter de pas afgesneden toen bleek dat Peters gehoor normaal was en toen steeds meer duidelijker werd dat hij juist ongewoon hevig reageerde op geluiden. Hij was vreselijk bang van het geluid van de stofzuiger.
Hij gilde, en bleef gillen en was niet te kalmeren. Hij wende er ook nooit aan. Tenslotte werd er enkel gepoetst als Peter weg was. Anderzijds was hij gefascineerd door het geluid van de bussen die door de straat reden. Hij rende naar het raam, telkens als hij het vertrouwde geluid van de motor hoorde. Als hij dat deed trachtte hij nooit iemands aandacht te trekken door opgewonden te roepen of naar de bus te wijzen. En dat had zijn zus altijd gedaan als ze een prent van Mickey Mouse zag.
Van toen ze 18 maanden oud was, had de zus van Peter het heerlijk gevonden om spelletjes als ‘naar de winkel gaan’ en ‘thee drinken’ te spelen. Maar Peter deed nooit zoiets. Hij had een hele verzameling speelgoedautootjes, maar in plaats van ermee te spelen zoals zijn neefje deed, wilde hij ze alleen maar in lange recht rijen zetten of eindeloos met de wielen draaien. Hij reageerde nooit op kinderen die met hem kwamen spelen. Toen hij twee was wisten Peters ouders dat er iets helemaal fout zat.
Hij sprak nog helemaal niet en hij scheen op veel gebieden achter te blijven in vergelijking met zijn leeftijdgenootjes. Hij hield wel van muziek en luisterde eindeloos naar "De vier seizoenen van Vivaldi".
Zijn ouders hadden al gehoord van Autisme, maar verwierpen die mogelijkheid omdat ze dachten dat autistisch zijn betekende dat zo’n kind mensen mijdt en dat het nooit emotionele reacties heeft. Ze hadden namelijk opgemerkt dat Peter het gezelschap van anderen leuk vond. Hij was het liefst in de buurt van zijn moeder en genoot heel erg van de stoeipartijtjes met zijn vader. Hij begon vaak heel hard te lachen en had af en toe serieuze driftbuien. Het waarom was moeilijk te achterhalen.
Toen Peter drie jaar was werd de diagnose autistisch gesteld na uitvoerige intervieuws, observaties en testen. Peter scoorde voor zijn leeftijd inderdaad erg laag op psychologische testen waar taal mee gemoeid was, maar hij haalde wel erg hoge resultaten op testen waarbij meetkundige vormen in elkaar moeten passen. Thuis werd hij al snel griezelig goed in het maken van puzzels. Hij maakte ze zelfs met de afbeelding naar onder. Het was vooral deze vaardigheid die zijn moeder deed hopen dat alles uiteindelijk toch nog goed zou komen en dat Peter een uitzonderlijk begaafd kind zou blijken te zijn.
Tussen zijn derde en vijfde jaar ontwikkelden Peters taal en sociale vaardigheden zich uiterst langzaam, terwijl dat doorsnee genomen bij andere kinderen dan net heel snel gaat. Voor hem en zijn familie was dit de moeilijkste periode.
Hij was heel erg onhandelbaar, vooral buitenhuis en wanneer zijn routine verstoord werd. Zijn ouders kregen van vreemden vaak te horen dat hij hopeloos verwend moest zijn. Toch gaven ze Peter alleen zijn zin omdat hij zich onmogelijk kon voegen naar de wensen van anderen. Ook zijn routines doorbreken bleek een onhaalbare zaak. Hij kreeg nog vaak driftbuien.
Uiteindelijk begon Peter te praten. Maar dit was in tegenstelling tot wat iedereen gehoopt had, geen stap in de goede richting van communicatie. Eigenaardig genoeg zei hij dikwijls klakkeloos na wat anderen zeiden.
Doen-alsof-spelletjes en eenvoudige groepsactiviteiten lieten hem onverschillig. Hij beleefde geen plezier aan knuffeldieren. Hij deed met hen wat hij met zijn auto’s deed: hij zette ze op rijen.
Voor zijn familie was het vaak alsof er een onzichtbare muur stond die hen belette om echt contact te krijgen met Peter. Hoe erg ze ook hun best deden, Peter hoorde nooit echt bij een groep, of het nu kinderen waren of volwassenen. Meestal leek het net of hij, in plaats van naar mensen te kijken, dwars door ze heen keek.
Lees verder -> Verhaal van Peter – deel 2 »
bron: Autisme, sleutel tot het raadsel door Uta Frith
Uitgeverij: Hadewijch
Popularity: 11% [?]